Hier loop ik warm van

The Hotstepper goes Dutch

Archive for maart 2016

Vast

leave a comment »

7/3 – Vandaag is een vreemde dag. Voor het eerst is het weer niet waarvoor je naar het zuiden van Spanje reist. Het heeft even geregend en ik loop voor het eerst sinds ik hier ben in een lange spijkerbroek. Heb zelfs de jas gedragen die ik thuis in Nederland ook draag. Weliswaar zonder het extra jackie eronder – ik bezit geen winterjas – maar toch…
Voor het eerst mis ik de mensen die ik thuis heb achtergelaten. Bob, Gisella, Larissa, Isabelle, Mieke, Andrea… Op mijn zoontje na allemaal dames. Sorry gasten. Sorry Ed, Chris, Dennis, Ronald… Het waren de eerste namen die in mij opkwamen. Voor het eerst sinds ik hier ben heb ik het gevoel dat ik vastzit. Vast in mijn ontwikkeling als schrijver, vast in mijn leven, vast in mijn vakantiehuisje, vast in de roman Alleen met de goden van Alex Boogers.
Ik las vandaag dat hij (naast P.F. Thomése, Joke van Leeuwen, Thomas Verbogt, Inge Schilperoord en Connie Palmen) bij de laatste zes genomineerden voor de Libris Literatuurprijs 2016 zit. En terecht. Ik krijg het boek niet weggelegd. Moest mezelf het bed uit schoppen vanmiddag voor lunch, maar lag er al gauw weer in. En wederom Alleen met de goden.
Zojuist tranen met tuiten bij bepaalde scènes. Heb zelfs de auteur opgezocht op Facebook en hem een bericht gestuurd en hem bedankt voor het mooie verhaal. Pathetisch. Maar het voelde dat het moest. Daarna heb ik mezelf weer een schop onder mijn reet gegeven, omdat ik had gehoord dat er vanavond Flamenco is in een restaurant hier om de hoek. Ik heb geen honger en gezien mijn gemoedstoestand is het misschien geen handige zet, maar het is soms beter om het beest te bevechten dan er voor weg te lopen.
Uiteindelijk blijk ik geen keuze te hebben; er is vanavond geen Flamencoshow. De wandeling en de frisse buitenlucht hebben me echter goed gedaan en ik besluit om toch wat te eten. De zaak is zo goed als uitgestorven, maar dat ligt niet aan de tajine met lamsvlees of de wijnen die ze hier schenken.
Omdat ik een tafel voor vier kreeg toegewezen, heb ik voldoende ruimte om wat te schrijven. Ineens zit ik aan een glas Cava en krijg ik een folder van het restaurant – vanaf 21 maart weer Flamenco – gepresenteerd. Denkt de ober soms dat ik recensent ben? Hij zit er niet eens ver naast, maar dat was in een ander leven. Mijn Spaans is te slecht om het uit te leggen, dus ik geniet er maar van…

Advertenties

Messias

with one comment

Het kerkje was wit. Net als de huisjes in het Andalusische dorpje die het omringden. Het had een bakstenen toren met een wijzerplaat en een bronzen klok onder een rood pannendak. De massieve houten deur was beslagen met grote zwarte spijkers, maar stond uitnodigend open. Hoewel het nog vroeg was, brandde de zon op mijn zwarte T-shirt. Het portaaltje zag er koel en uitnodigend uit. Ik stapte over de drempel, de schaduw in. Binnen was het doodstil.
Toen mijn ogen eenmaal aan het duister gewend waren, was mijn verrassing groot dat ik een massa biddende mensen aantrof. Blijkbaar was het gebed net afgerond, want de gelovigen sloegen als op bevel, gelijktijdig een kruis, openden hun ogen en keken mij strak aan.
Om mij een houding te geven keek ik op mijn telefoon. Er was wifi en het toestel maakte vreemd genoeg automatisch verbinding. Het trilde in mijn hand. Ik opende het bericht en las: Bienvenido, mi hijo.
De adem stokte in mijn keel en ik staarde ongelovig over het schermpje naar de aanwezigen in de kerkbankjes. Ze staarden met grote ogen terug en wezen simultaan met de wijsvinger van hun linkerhand naar mij. Het gebaar klonk als een zucht.
Ik schudde langzaam mijn hoofd en rende naar buiten alsof de duivel me op de hielen zat.

Written by thehotstepper

maart 7, 2016 at 8:00 am

Geplaatst in gedachte, verhaal

Tagged with , , , ,

Lorca

leave a comment »

De weg was lang en avontuurlijk. Haarspeldbochten waren eerder uitzondering dan regel. Als ik geen verkeer voor mij had, vond ik het jammer dat het autoverhuurbedrijf mij een Fiat Panda in de maag had gesplitst. Alleen de kleur was goed: zwart.
Ik ken een dame die een Nissan 350Z heeft. Ik zou er graag eens in rijden en hier, in Las Alpujarras, een gebied aan de voet van het Sierra Nevada gebergte in het zuiden van Spanje, helemaal. Maar dan wel op een afgezet traject zonder tegenliggers. De slakken die mij ophielden waren ergerlijk – waarom remmen mensen bij elke bocht? – de tegenliggers het gevaarlijkst. Aan de ene kant was het hier inspannend rijden, maar aangezien mijn navigatie alle toekomstige bochten als een feestelijke slinger toonde, was het aan de andere kant kinderspel. Het merendeel van de tijd zat ik met een hand aan het stuur, de andere op de schoot van mijn virtuele vriendin die ik wel eens even de bergweggetjes zou laten zien.
In Pampaneira ging ik even de benen strekken. Ik had er een uur sturen opzitten en snakte ernaar om mijn rug te rechten en de frisse berglucht op mijn verbrande huid te voelen en diep in te ademen. Toen ik mijn weg vervolgde was ik heel even blij met de Panda. Ik had mijzelf klem gereden in een steeds smaller wordend straatje. Verder vooruit ging niet, verder achteruit leek ook onmogelijk. Met een grotere auto had ik me er zeker niet zonder schade uit gered, maar, redeneerde ik, ik was zover gekomen, dus zou ik ook achteruit weer terug moeten kunnen. Het kostte beduidend meer moeite, maar na het nodige korte steekwerk, was ik even later weer  en route.
Hoewel ik tijdens mijn pitstop geen koffie had gedronken, stond ik strak en hyper geconcentreerd: de rol van cafeïne was overgenomen door adrenaline. On a natural high crosste ik langs de bochtige weggetjes, maar al gauw zat ik weer achter een Spanjaard, die gezien het tempo dat hij reed vast ook toerist was. Dat hij maar nooit naar Rotterdam komt! Ik liet me terugzakken en besloot om van de nood een deugd te maken en van de vergezichten te genieten. Het duurde ruim een half uur en de Panda kon even op adem komen.
Daar waar het kon maakte ik omwegen. Ik verzon ze niet, maar haalde de tips uit een bijlage van National Geographic. Op de achterkant stond een treffende reclame die Spanje promootte. Ik was jaloers, wou dat ik de slogan zelf had verzonnen. Tegen een decor van besneeuwde bergtoppen stond een man met een puzzelstukje in zijn hand: Ik wilde altijd al weten waar de foto’s van de puzzels vandaan kwamen. Ik keek om mij heen, het was gewoon waar. Zou ik sommige miradores fotograferen, kon ik de afbeeldingen zo aan Ravensburger verkopen.
Rond half drie bereikte ik mijn bestemming: Trevélez, het meest hooggelegen dorpje van Spanje. Zonder te aarzelen koos ik voor het drukste terras. Er was zowaar nog één vrij tafeltje. Niet veel later schudde ik de hand van de eigenaar van het etablissement, Joaquín González Álvarez. Ik begreep niet veel van ons gesprek, behalve dat hij mij schrijver, escritor, noemde en dat er binnen iets was wat hij mij wilde laten zien. Dus volgde ik hem het koele, schaduwrijke restaurant in.
Aan het plafond hingen ontelbare hammen met van die leuke, omgekeerde parapluutjes tegen het lekken. De varkenspoten zweten zich droog en hun vette zweetdruppels zijn volgens de natuurkundige wetten onderhevig aan de zwaartekracht. Het rook er fantastisch naar – tja naar wat eigenlijk – gedroogde ham of varkensvet. Het water liep mij hoe dan ook in de mond.
De oude man toonde mij een dichtbundel van een mij onbekende Spaanse schrijver, dus ik glimlachte wat en knikte hem toe. Hij begon mij voor te lezen en keek mij na elke zin glunderend aan. Na een alinea barstte hij in lachen uit. Het onbegrip moet van mijn gezicht af te lezen zijn geweest, want hij schudde vervolgens meewarig zijn hoofd en legde een hand op mijn schouder. Volgens mij zei hij iets troostends – het kan ook iets bemoedigends geweest zijn – en toen nam hij afscheid.
Ik ging weer naar buiten, waar een ober net mijn lunch op tafel zette. Tijdens het eten kon ik het voorval niet uit mijn hoofd zetten. Toen ik klaar was, ging ik terug naar binnen. Op zoek naar het boekje. Joaquín moest het echter hebben meegenomen. Ik bestelde een toetje en vroeg de ober ernaar. Ik legde uit dat El Jefe het me eerder had laten zien en dat ik de naam van de schrijver wilde noteren. Gelukkig was de ober een jongeman en sprak hij een beetje Engels. Hij zou het navragen.
Toen hij terugkwam met mijn dessert verontschuldigde hij zich. De oude man had niet onthouden waar hij het boekje had gelegd, maar de ober had wel een idee wat ik bedoelde. Hij schreef de naam van de bundel en de auteur voor mij op een stukje papier: El Romancero Gitano, Federico García Lorca.
Ik knikte, herkende de naam en nam mij voor om in Nederland op zoek te gaan naar een vertaling. Zo had een autotochtje dat geen ander doel diende dan de tijd te doden een onverwachte wending gekregen. Op de terugweg naar mijn vakantiehuisje mijmerde ik dat ik mij geen zorgen meer hoefde te maken om een souvenir te scoren. Dat kon ik op mijn gemak na thuiskomst doen bij mijn eigen vertrouwde boekwinkeltje.

Niets

leave a comment »

Gisteren zou ik niets doen. Helemaal niets. Zou het mogelijk zijn om daarover zinvol te schrijven? Ik hoop het maar, anders leest u dit voor niets.
Het valt nog niet mee om niets te doen. Uit voorzorg had ik eergisteren de wekker niet gezet. Slapend niets doen leek me veruit het gemakkelijkst. Toch was ik ’s morgens al vroeg wakker. Terwijl ik in bed lag, tussen de fris geurende lakens, bedacht ik wat ik niet zou gaan doen. Ik werd al moe bij de gedachten aan de talloze mogelijkheden en viel pardoes weer in slaap. Missie geslaagd.
Niet veel later droomde ik dat ik dat ik lag te slapen. Kort erna bleek dat ik wakker was en dacht dat ik droomde. Niets doen bleek niet eenvoudig.
Ik overwoog of koffiezetten en ontbijt maken onder de noemer ‘niets doen’ vielen en besloot uiteindelijk dat noodzakelijkheden geoorloofd waren. Ze hadden de naam mee. Als ‘niets doen’ moet, dan zijn noodzakelijkheden mutatis mutandis toegestaan. Dus rekte ik mijn ontbijt. Drie espresso’s, elf aardbeien, vier geroosterde boterhammen, acht plakjes kaas, een halve avocado, onbestemde hoeveelheden paté en filet americain en vier glazen thee later was het nog steeds vroeg. Maar gelukkig was vandaag een marktdag en ik had niets nodig. Een bezoekje aan de markt leek me daarom uitermate geschikt. Bovendien wandelde ik zeker drie keer verkeerd. Als ik zo de weg niet onbedoeld leerde kennen was het zeker zinloos en dus geheel in lijn met mijn ambities.
Uiteindelijk kocht ik toch wat. Sinaasappels, Jamón Ibérico en olijven. Beetje jammer, maar een mens moet toch wat. Bovendien zou ik het die dag niet meer eten, maar daar zou ik pas later achter komen. Onderweg naar huis kocht ik ook een Torta de cabello de angel, oftewel een broodje engelenhaar. Het was groot genoeg voor zes peuters, drie kleuters, een halve puber of een volwassene. Dit zou mij zeker een lunch uitsparen.
Helaas werd ik na thuiskomst al gauw ongedurig en ik besloot om te verdwalen in het buurtje waar mijn kleine witte vakantieadresje zich bevond. Dat was mij op mijn eerste dag hier ook al aardig gelukt. Ik herinnerde me dat ik, zwetend met mijn koffer als een dood gewicht aan mijn arm hangend, liep te zeulen door de smalle, godverlaten straatjes van de oude stadskern, terwijl Rodeo van Kyuss als soundtrack door mijn hoofd bleef spoken. Als een desperado sjokte ik telkens door dezelfde weggetjes en stegen. Vrouwen hielden hun dochters veilig binnen en toonden zichzelf ook niet. Het wijkje leek een spookstadje. Ideaal voor een dagje niets doen.
En dus dwaalde ik opnieuw door de nauwe, steile straatjes. Beklom ik trappetjes, of daalde ze af, al naar gelang waar ik mij bevond. Na een lange afdaling bleef ik zuidwaarts lopen en na een kleine twintig minuten was ik op het strand. Playa Salobreña. Is er een betere plaats te bedenken om niets te doen dan het strand? Ik dacht het ook niet…
Inmiddels was het half vier. Lunchtijd. In Spanje luncht men laat, had ik begrepen, dus ik besloot het erop te wagen. Even later zat ik bij El Campano aan de paella en aangezien ik nog absoluut geen honger had, leek eten me een goede variant van mijn plan de campagne. Het eten diende immers geen enkel doel dan de tijd doden. Ik zou me moeten schamen, maar hetzelfde geldt voor iedereen die dit leest.
Wanneer was de laatste keer dat je at omdat je het echt nodig had? Wanneer had je überhaupt echt honger? Maar laten we het gezellig houden. Ik ben tenslotte op vakantie. Wereldproblemen oplossen valt niet echt in de categorie ‘niets doen’, al denken de meeste politici daar anders over.
Na het eten keek ik een poosje naar de meeuwen die, vleugels wijd, zonder zichtbare inspanning zweefden op de wind. In de lucht zijn geen belemmeringen, geen muren of hokjes, maar zijn vogels ooit zo vrij als het gezegde ons doet geloven? Vroeg of laat moeten ze toch landen om te eten of te slapen. Noodzakelijkheden die van niets doen iets maken. Al is het maar omdat het moet.
De rest van de middag las ik een boek. Een goed boek. Een heel goed boek. Hoewel het met goede boeken net is als met een ‘goed glas wijn’, wil ik dat je gelooft dat het een goed boek was. Het liefst wil ik je vertellen hoe het heet en wie het schreef. Ik heb mezelf echter beloofd dat ik vandaag niets zou doen, dus ik kan hier moeilijk een beetje reclame gaan zitten maken.
Omdat ik het boek uitlas en ik dus met lege handen achterbleef, vond ik dat het redelijk was om het uit te lezen op de dag dat ik niets zou doen. Wie met lege handen achterblijft heeft niets en kan zich dus beroepen op verschoning: Ik heb niets gedaan, kijk maar. (strekt armen uit met de handpalmen naar boven)
En dus wandelde ik zonder er verder bij na te denken en zonder te verdwalen naar huis om te gaan slapen. Onschuldig als een baby. Het was nog vroeg, maar wat kon ik? Ik zou immers niets…

Written by thehotstepper

maart 5, 2016 at 10:24 am

Playa Granada

leave a comment »

De hele weg van Granada naar Salobreña zag ik de met sneeuw bedekte toppen van de Sierra Nevada in mijn achteruitkijkspiegel. Hoewel de temperatuur wat mij betreft zomers was, hing er een bepaalde kilte in de lucht. Niet vervelend. Lekker fris, eigenlijk. Mijn auto had echter de hele tijd in de zon gestaan op de parkeerplaats van het Alhambra, dus ik reed met de airco aan. Vlak voor Salobreña sloeg ik af richting het strand.
De kou is uit de lucht. De frisheid komt van de zeewind. Ik weet niet wat ik meer heb gemist. De geur van de zilte zee of het geluid van af en aan rollende golven. Het zonlicht wordt fel weerspiegeld op het relatief kalme wateroppervlak vlak voorbij de branding.
Een traan rolt uit mijn ooghoek over mijn wang. Ik kan het wijten aan het felle licht van de reflectie of aan de wind, maar ik weet: saudade. Ik voel me melancholisch worden.
Melancholie: dat je blij en rustig wordt van onvervuld verlangen, ook al voelt het enigszins verdrietig. Ik staar een tijdje over het water, via de branding naar de horizon. Achter mij is een strandtent. Eén biertje kan wel. Het ruikt er naar zonnebrand en warm zand.
Er is wifi. Terwijl ik mijn berichten check neemt het geroezemoes om mij heen toe. Happy hour. Mijn melancholie verdwijnt als sneeuw voor de zon. Kalmte en een warm gevoel komen er voor in de plaats. Tevreden met het heden.

 

Written by thehotstepper

maart 4, 2016 at 4:56 pm

La Musica

leave a comment »

Ik vier vakantie en luister veel muziek. Dit kwam gisteren voorbij…

musica 3-3.jpg

Written by thehotstepper

maart 4, 2016 at 1:38 pm

Geplaatst in muziek, Uncategorized

Alhambra

leave a comment »

De naam doet mij denken aan Walhalla. Het zal wel door de klanken komen. Drie lettergrepen, drie keer de letter A. Triple A, da’s een goede rating toch? Het heilige der heiligen. Daar doet het mij ook aan denken. Alsof het heel bijzonder is dat je het mag betreden. Misschien komt dat doordat diverse vrienden mij thuis in Nederland al op het hart drukten om er vooral heen te gaan. En vooral via internet vast een ticket aan te schaffen. Het zou zoveel tijd schelen. Bij de kassa? Rijen, rijen! Zo werd mij althans verzekerd.
Eigenlijk had ik toen al geen zin meer, want ik kan slecht tegen wachten. Helemaal tegen in een rij staan. Goeie reclame, dacht ik nog, maar uiteraard volgde ik, nieuwsgierig geworden, het advies toch op. Het ticket printte ik gisteren in een filiaal van Caixa, een Spaanse bank. Terwijl ik er nog niet naar op zoek was, passeerde ik het op weg naar een café wat ik vooralsnog niet kon vinden. Ik beschouwde het als een goed teken.
De rijen bij de kassa van het park vielen tegen. Eigenlijk was er nauwelijks sprake van enige rijvorming. Maar goed, ik had al een ticket, dus laat ik niet mopperen. Ik weet toch niet hoelang de eventuele wachttijd was geweest die ik heb uitgespaard. Het zal mogelijk toch nog aanzienlijk zijn geweest, want Spanjaarden kunnen goed wachten volgens mij.
Ik wandelde door de tuin, de pijlen naar het paleis volgend. Op een bordje stond dat het nog 15 minuten lopen was. Ik moest aan de Efteling denken. Zou er straks ook een fakir op een vliegend tapijt langskomen? Ik bedoel, dit is wel het Alhambra!
De tuin was nagenoeg verlaten. De weinige bezoekers gaven mij echter niet het idee dat ik alleen was. Dat veranderde toen ik bij de ingang van het paleis kwam. Het was er aanzienlijk drukker. Grappig, dat je in een massa je eenzamer voelt dan wanneer je een van weinigen bent.
Ik sloot aan achter een groepje vriendinnen. Twintigers. Nog voor we binnen waren werden de eerste selfies en groepsfoto’s gemaakt. Mogelijk werden ze ook gedeeld op social media, wie zal het zeggen? In picturis, ergo sum.
In het imposante gebouw – eerlijk is eerlijk, ik was onder de indruk – ging het poseren onverminderd door. Fotootje bij een met houtsnijwerk versierde deur. Een bij een spiegelgladde vijver. Vooruit, nog een, maar nu met ons allemaal. Een bij een raam. Een op een trap. Hé, waar is de selfiestick?
Als mensen geen foto’s van zichzelf maakten of van elkaar, dan wrongen ze zich wel in vreemde bochten om net dat onmogelijke stukje van het gebouw, dat verder slechts leek te figureren, vast te leggen op de gevoelige plaat.Het leukst waren de mensen – mannen meestal – die als pinguïns onbeholpen positie zochten. Die met hun camera voor hun buik, of iets lager, voor hun kruis met de lens naar het plafond gericht een foto probeerden te maken. Het leek een sport om te fotograferen wat men zelf niet zo zag. En dan later thuis vertellen dat het in het echt toch veel mooier was. Dat het op de foto toch niet zo goed overkomt. Om vervolgens hun vrienden en familie aan te sporen om vooral zelf te gaan kijken. Maar let op, wel van te voren een kaartje kopen, hè?
Goed, het leukste vond ik dus mensen kijken. Fransen, Spanjaarden, Duitsers, Britten, Nederlanders, Chinezen en Japanners blijken niet zoveel te verschillen. Met hun maniertjes, hun camera’s en selfiesticks. Soms vormde zich bij een raam spontaan een rij, waarna iedereen om de beurt een kiekje nam van het uitzicht. Ik vraag mij af of sommigen het wel hebben gezíen, tot zich hebben laten doordringen, of dat zij gewoon niets wilden missen.
Echt, iedereen nam een foto. Zelfs mensen die er met een groep waren… Je zou zeggen dat je dan iemand tot fotograaf bombardeert en zelf lekker losgaat als een vlinder. Kijkje hier, kijkje daar. Maar blijkbaar werkt het niet zo. Niets zo zelfbevestigend als fotografie.
Eenmaal buiten ging iedereen nog even op de foto met de kleine lapjeskat die zich laafde aan de stralen van de lentezon. Had ze een baasje gehad die met de pet rondging, dan hadden ze een aardig zakcentje kunnen verdienen.
Ik ben erbij gaan zitten, keek ernaar en schreef.

Written by thehotstepper

maart 4, 2016 at 11:11 am