Hier loop ik warm van

The Hotstepper goes Dutch

Posts Tagged ‘Katendrecht

52

leave a comment »

Kick sleepte zich jaren voort door het leven. Uren regen zich aaneen tot dagen en dagen werden maanden en maanden werden jaren. De wijzers van de klok waren meedogenloos en bewogen in hun eigen tempo. Wie tegen de stroom in roeit, komt nauwelijks vooruit, terwijl de tijd zich schijnbaar moeiteloos lijkt te rekken.

Ooit was Kick een vrolijke jongeman. Opgegroeid op de Kaap waar hij meer moeders dan vrienden had. De hoertjes waren goed voor hem en hij voor hen. Als jonge jongen had hij geen idee hoe ze hun centen verdienden, maar dat ze verdienden, wist hij maar al te goed. Hij deed met liefde een boodschap voor hen en mocht in de meeste gevallen het wisselgeld, soms meer dan de helft van het aankoopbedrag, houden. Zo groeide hij op met het idee dat vrouwen goed waren.

Tegen de tijd dat hij begon te puberen was er weinig meer over van de wijk. Schoongeveegd, zoals dat heet in ambtenarenjargon. Nou, hij had de rellen meegemaakt en zag de armoede sinds de vrouwen verdwenen waren. Zodra hij meende op eigen benen te kunnen staan, smeerde hij hem en betrok een kamertje op het Noordereiland. Daar leerde hij dat honger rauwe bonen zoet maakt en dat een mens met weinig toe kan.

Dat hij bij vlagen een gewild kunstenaar was, hielp. In zijn succesvolle beginperiode leerde hij Sjaantje kennen. Omdat het hem in die periode voor de wind ging, herkende hij in haar zijn muze. Ze waren dol op elkaar. Hoteldebotel van verliefdheid liet hij zich door haar om de vinger winden en zo kwam het dat hij haar volgde naar Amsterdam waar zij een bovenwoning in de Pijp betrokken. Hier hield het idee dat Sjaantje zijn muze was nog een tijd stand. Hij kreeg weliswaar geen voet aan de grond in de Amsterdamse kunstscene, maar in zijn geboortestad waren genoeg galeriehouders die brood in hem zagen.

In ’93 bereikte hij een artistiek hoogtepunt toen hij als enige Nederlander werd tentoongesteld op de Biënnale van Venetië. Zoals het echter wel vaker gaat met hoogtepunten, bleek dit jaar ook een kantelpunt. Het begin van het einde. Sjaan en hij waren nog steeds graag geziene gasten in het bruisende kroegleven in hun buurtje, maar terwijl hij vooral lokaal vertier zocht, was Sjaantje steeds meer te vinden in clubs als de RoXY en de iT. Hoewel de drugs er van goede kwaliteit waren, voelde Kick zich er niet op zijn gemak. Hij werd er rusteloos en prikkelbaar, een signaal dat hij opvatte als creativiteit.

Terwijl Sjaantje nachten doorhaalde aan het Singel of de Amstelstraat, zwoegde hij in zijn atelier. Hoe hij echter zijn best deed, wat uit zijn vingers kwam, voldeed niet aan zijn standaard. Zijn werk werd een obsessie, die hij gaande hield met drank en coke. Investeren noemde hij dat. Dat Kick en Sjaantje elkaar nauwelijks nog zagen, terwijl ze toch in hetzelfde huis woonden, was ook een investering. Zodra hij de weg naar boven weer gevonden had, zaten ze op rozen. Ondertussen groeide de stapel onverkoopbare doeken recht evenredig aan de stapel onbetaalde rekeningen.

Jaren verstreken en op een dag was Sjaantje verdwenen. Met de noorderzon vertrokken. Hij herinnerde zich de Millenniumwisseling en invoering van de euro maar wanneer Sjaantje was vertrokken? Het besef, de lucide gewaarwording dat hij er alleen voorstond, kwam binnen toen hij op 22 april 2003 ruw uit een onrustige slaap werd gewekt doordat een knokploeg hem zijn huis uit zette. Ze hadden hem net genoeg tijd gegeven om zich aan te kleden. Met niet meer aan zijn lijf dan wat hij haastig had aangeschoten, stond hij op straat. In een stad die zijn stad niet was, in een straat die zijn straat niet meer was.

Hoewel hij liever schone kleren had gepakt, bleek het een geluk bij een ongeluk dat hij zich had gestoken in het verkreukelde textiel dat op een hoopje naast zijn bed lag. In zijn rechterbroekzak vond hij de sleutel van zijn atelier. Omdat Café Chris toch op de route lag, pepte hij zich daar op met een uitsmijter en een kopstootje op de pof. Dat ze hem hoofdschuddend nakeken zag hij niet, maar hij voelde het wel.

Vanaf die dag voelde hij namelijk alles weer. Hij voelde honger, schaamte en verdriet. Hij was euforisch als hij een schilderij verkocht, maar werd duizelig van de zwarte leegte in zijn onderbuik, terwijl hij naar een wit canvas staarde. Via via kwam hij aan spullen en volgens zijn Marokkaanse buurman had hij een goed paard, wat betekende dat hij een uitstekende timing had om langs te komen: rond etenstijd.

—–

Dagen werden weken, werden maanden, werden jaren. Ze trokken aan hem voorbij als de kleurloze rij deurwaarders, waarvan hij de gezichten ook niet kon onthouden. Dat hij zijn atelier, waar hij illegaal overnachtte op een morsig matras, wist te behouden kwam door een gezonde mix van doorzettingsvermogen en geluk. Het eerste had hij van huis uit meegekregen en het tweede was, nou ja, gewoon geluk. De kranten stonden in die tijd bol van het Noord-Zuid debacle en uit die misère putte Kick inspiratie. De aanleg van de metrolijn werd zijn nieuwe inspiratiebron, een nieuwe fixatie.

Bijna dagelijks ging hij bij de bouwwerkzaamheden kijken. Uren stond hij tussen oude mannen. Handen in de zakken, net als zij, te luisteren naar de schampere opmerkingen. Gevuld met negatieve energie stortte hij zich ’s avonds op zijn werken. Dat ze somtijds voor brood op de plank zorgden, stemde hem eerder droevig dan blij. Hij leefde als een comapatiënt. Zijn life-line: de Noord-Zuidlijn. Hoe vaak hoopte hij niet dat iemand de stekker eruit trok?

Op een van die dagen aan de put duizelde het hem. Het is dat er hekken waren geplaatst, anders was hij ongetwijfeld voorover, headfirst, op het natte beton onder hem beland. Was het maar zo’n feest, dacht hij. Een paar jaar eerder had hij op het punt gestaan zich in de vergetelheid te storten. Een duik uit een raam van het Hiltonhotel leek hem wel wat. Helaas, een andere kunstenaar was hem voor. Dagenlang liep hij verdwaast rond. Omdat hem de loef was afgestoken, maar het verdriet dat kwam van zelfmedelijden werd door de buitenwacht verward met rouw om zijn collega.

Maar goed, die dag dat hij bijna door de knieën ging zag hij in zijn ooghoeken een vrouw in een rood jurkje. Sjaantje! Haar naam schoot door zijn hoofd, maar nadat hij zich herstelde van het golfslagbad in zijn buik en beter keek, zag hij dat hij zich had vergist. Ze leek op Sjaan, jazeker, maar wel op Sjaantje uit zijn jeugd. Stomme retrotrut! Hij was toch ook met de tijd meegegaan? Wederom dompelde hij zich onder in zelfbeklag, wat erop neerkwam dat hij het op een zuipen zette. Drie dagen achtereen bestond zijn ontbijt, lunch en diner uit jenever. Ketel 1 natuurlijk, je kunt een man uit Rotterdam halen, maar Rotterdam niet uit een man.

Jaren sappelde Kick. Hij waadde van dag naar dag. Slechts op de been gehouden door koppigheid. Nadat hij ontwaakte uit het delirium dat ontstond doordat hij meende Sjaantje bij de bouwput te ontwaren – een drankprobleem ontkende hij chronisch – stortte hij zich op een metershoog, levensecht schilderij van haar. Het doek was 1 meter 73 hoog en 90 centimeter breed. De hoogte was in verband met haar liefde voor naaldhakken, anders had 1 meter 67 volstaan. Als hij had gekund werkte hij dag en nacht aan het schilderij, maar aangezien hij het niet wenste te verkopen, stond het in wording in de hoek van zijn atelier.

Tot acht keer heeft hij het veranderd. De aanpassingen betroffen eigenlijk alleen het gezicht en haar haren. Blond werd grijzer, de blik werd wijzer. De lijntjes die het gezicht tekenen werden dieper. Hij was begonnen met het beeld van Sjaantje, dat hij zich herinnerde uit de periode dat hij haar had leren kennen. Gaandeweg was dat veranderd in hoe hij haar herinnerde uit de tijd van de RoXY en inmiddels was het een portret van een vrouw van middelbare leeftijd. Een vrouw die hij niet langer kende, maar graag had gekend. Al was het maar om haar te vermoorden.

Samen uit, samen thuis, dacht hij op momenten dat hij zich in haar verloor, terwijl de verf op zijn penseel droogde. Uren kon hij zich in haar verliezen. Nog steeds was ze zijn muze. Nadien maakte hij zijn meest succesvolle werken, maar die deed hij dan ook graag van de hand. Maanden ploeterde hij vervolgens voort met een doek over het vervloekte schilderij in de hoek van zijn atelier. Tandenknarsend gaf hij zijn geld, dat hij beschouwde als judasgeld, uit tot hij op een houtje bijtend, de broeksriem aangetrokken, ten langen leste haar weer liet baden in het licht, dat door het schuine dakraam naar binnen viel.

Ondertussen stond ze al weer maanden onder een laken. Normaliter had hij haar allang van stal gehaald om zijn belabberde financiële situatie weer op pijl te brengen, maar Kick leed liever honger. Terwijl de stapel aanmaningen de omvang van de Dikke van Daele naderde, had hij zijn laatste geld uitgegeven aan Ketel 1 en Gitanes. Tevreden sleet hij zijn dagen in ledigheid, want 22 juli was het zo ver! Sinds die datum definitief leek, was Kick gestopt met eten, want zo redeneerde hij, zijn lijden was toch bijna voorbij.

——

Vijftien jaar leefde hij in niemandsland. Vijftien jaar was hij een schim die weigerde om te sterven. Vijftien jaar heeft hij bij vlagen geschitterd, want hij verdomde het eenvoudig om te vervagen. Vijftien jaar voelde hij zich tanende, voelde hij zich als een kasplantje dat aan zijn lot is overgelaten. Vijftien jaar een risee, een karikatuur van een kunstenaar, een persiflage van wie hij ooit was, van wie hij wilde worden, van wat hij wilde zijn. Vijftien jaar lijden om niet uit te gaan met een zucht, maar met een klap.

Het moest meteen de eerste dag gebeuren. Wachten was zinloos uitstel. De eerste dag, de eerste mogelijkheid. ’s Ochtends vroeg dus. Lekker stil nog. Sterven doen we immers het liefst in een rustige omgeving. Om half zes, nog voor zonsopgang, liep Kick daarom met Sjaantje onder zijn arm richting de roltrappen van metrostation De Pijp. De gekleurde vlaggetjes op de muur bij de ingang, die de multiculturaliteit van de Albert Cuyp moeten voorstellen, konden hem gestolen worden. Net als de meterslange gedigitaliseerde aquarel van de Argentijnse kunstenares Amalia Pica op de muren bij het perron. ‘Kunst voor de massa,’ gromde hij. ‘Mijn reet!’

Hij passeerde nog drie vroege vogels, terwijl hij naar het begin van het perron liep. Daar zou de metro nog de meeste vaart hebben. Eindelijk tijd om uit te stappen, dacht hij, terwijl hij Sjaantje, zijn muze en molensteen in een, met een malicieus glimlachje een knipoog gaf.

Nog zeven minuten. Hij had de dienstregeling uitvoerig bestudeerd. Over vijf minuten zou de metro naar hun laatste bestemming van station Vijzelgracht vertrekken. Hij zette Sjaantje tegen de muur naast de tunnelbuis en beklopte werktuiglijk zijn zakken. Die van zijn broek waren leeg. Zijn geld was op en de sleutel van zijn atelier lag daar op tafel. In het borstzakje van zijn overhemd zat een pakje Gitanes met nog precies een peuk. In gedachten zag hij zijn aansteker naast de sleutel liggen. De ironie ontroerde hem en met een glimlach stopte hij de sigaret terug in het pakje, het pakje in het borstzakje.

Jaren had de tijd gekropen, maar inmiddels was het 05.39 uur. Hij luisterde of hij al het gerommel van een naderende metro hoorde. Stilte. 05.40 – niets. De tijd tussen vertrek Vijzelgracht en vertrek De Pijp is precies twee minuten. Even lang als de stilte voor het herdenken van de doden. Inmiddels vlogen de minuten voorbij. 05.41, -42, -43. Om kwart voor zes klonk de gesampelde stem van een omroeper die alleen losse woorden had ingesproken: ‘Dames – en – heren. Wegens – een – ongeval – zal – de – metro – niet – rijden. Het – is – niet – bekend – wanneer – de – dienstregeling – kan – worden – hervat.’

Als verdoofd staarde Kick naar de rails onder hem. Voor zijn gevoel stond hij er lang, heel lang, maar toen hij Sjaantje oppakte en haar de tunnel in wierp, versprong de klok naar 05.46. De speelfilm in zijn hoofd, de film van zijn leven, had welgeteld een minuut geduurd. Ben ik daar 52 voor geworden, dacht hij geërgerd. Hij haastte zich met grote passen naar de uitgang, terug langs de vlaggetjes , terug naar het licht, dat aarzelend van de stad bezit nam en lange schaduwen trok over de met een gouden gloed geplaveide straten. Bij het Sarphatipark vroeg en kreeg hij een vuurtje. Kick ademde bedaard de rook van wat zijn laatste sigaret moest worden naar binnen en een ongelooflijke rust overviel hem.

——

Het is komkommertijd, dus het ongeval in de Amsterdamse metro houdt de gemoederen flink bezig. Het zorgt in ieder geval voor krantenvulling en smeuïge koppen als: “Fatale val of zelfmoord?” en “Politie puzzelt verder – identiteit van omgekomen vrouw nog steeds onbekend.” Bij Opsporing Verzocht wordt een reconstructie vertoont en, zo stelt presentatrice Anniko van Santen, er is een aanwijzing dat het mogelijk niet gaat om een ongeval. Maar daarover later meer – alles voor de kijkcijfers. Graag wil de politie in contact komen met mensen die dit rode jurkje herkennen. Het betreft een vintage jurk uit de jaren 80 van ontwerpersduo Puck & Hans.

Kick, die van dit alles geen weet heeft, omdat hij noch tv kijkt, noch kranten leest voelt zich ondertussen als herboren. Via zijn Marokkaanse buurman, die een reservesleutel blijkt te hebben, heeft hij zich toegang verschaft tot zijn atelier, waar hij drie dagen en nachten aan een stuk slaapt. Als hij wakker wordt heeft hij geen geld, geen drank, geen sigaretten en geen eten, dus zet hij zich aan de stapel achterstallige post. Tussen aanmaningen en achterstallige rekeningen zit ook een envelop van zijn agent. Kick fluit tussen zijn tanden als hij het bedrag leest dat in de brief staat. Hij klapt in zijn handen en schiet de deur uit. Bij de pinautomaat om de hoek doet hij een rondedansje. Nadat hij zich heeft getrakteerd op een copieus ontbijt, betaalt hij alle openstaande rekeningen, zegt de huur op en verhuist terug naar Rotterdam.

Ondertussen bij Opsporing Verzocht: Het onderzoek naar het ongeval in de Amsterdamse metro zit muurvast. Daarom geeft de politie nieuw bewijsmateriaal vrij in de hoop dat de identiteit van het slachtoffer alsnog kan worden vastgesteld. In de metrotunnel tussen stations De Pijp en Vijzelgracht is een portret aangetroffen van een vrouw in een rode jurk. De politie wil graag in contact komen met iedereen die deze vrouw herkent, of weet wie dit portret heeft geschilderd. Op Katendrecht klinkt uit de binnenzak van een colbertje dat over een stoel hangt het geluid van een mobiele telefoon.

Advertenties

Kaapse sagen en legenden

leave a comment »

Sterke verhalen

Volgende week zaterdag is het weer De Nacht van de Kaap. Het festival viert haar eerste lustrum met o.a. een ode aan het Internationale Drinklied en muziek uit alle windstreken. Twee jaar geleden deed ik mee aan een Sterke-verhalen-wedstrijd die door de organisatie was uitgeschreven en ik vroeg me af of het verhaal nog online staat. Het blijkt zo te zijn en ik las het met veel plezier terug. In het archief van de site Kun jij de Kaap aan? is een link die sterke verhalen heet. Ze verwijst naar mijn verhaal, Rondje Katendrecht.
Destijds won ik er een overnachting mee op de SS Rotterdam en ik heb me eerlijk gezegd altijd afgevraagd of er meer inzenders waren. Feit is dat mijn verhaal het enige is dat is terug te vinden. Toch roept de organisatie ook dit jaar weer op om sterke verhalen in te sturen. Met nog zeven dagen te gaan tot het festival, zou het natuurlijk wel geinig zijn als de organisatie ineens bedolven wordt onder Kaapse sagen en legenden. Inmiddels heb ik middels dit blog diverse schrijvers leren kennen, dus het lijkt me stug dat dit niet te regelen valt. Wie durft?

Written by thehotstepper

september 1, 2013 at 12:18 pm

Rondje Katendrecht

leave a comment »

Naar aanleiding van de sterke verhalen wedstrijd van Nacht van de Kaap stuurde ik onderstaande fantastische fantasie als verhaal in:

 

Rondje Katendrecht

Tegenwoordig doen ze alsof het heel bijzonder is: zwemmen in open water. In Rotterdam kan dat heden ten dage tijdens het Rondje Noordereiland. Drie hele kilometers! Pfffff, en dan hoeven ze nog niet eens te klunen! In mijn tijd was dat wel anders. Toen zwommen we  Rondje Katendrecht. Dat zijn ten minste tien kilometers! Katendrecht was groot in die tijd.

Heen, door de Rijnhaven viel wel mee. Da’s een kort stukkie, hoewel op de kop bij Hotel New York een aardige stroming staat. Alleen de sterken, zoals ik, kwamen daar ongeschonden door heen. Diverse mindere zwemgoden werden door draaikolken naar de bodem gezogen. Ja, ik heb daar heel wat maatjes verloren…

Afijn, daar voorbij was het tot de kop bij het Katendrechtse hoofd, waar nou die stoomboot leg, met de stroom mee. Daar kon je lekker vaart maken.

In de Maashaven was het in die tijd een drukte van jewelste en je moest oppassen dat je niet met je klauwen tussen de schroef van een sloep van de passagierende matrozen kwam. Heel wat jongens verloren daar een vinger of een hand. Anderen werden onpasselijk van de ingeslikte olie die daar op het water dreef. In de Rijnhaven kon het lekker schoonspoelen, maar de Maashaven is een kom, daar ken het niet weg. Afijn, dat begrijpen jullie ook wel.

Op een dag hadden we met ons tweeën flinke afstand genomen van de rest van de zwemmers. Rinus, m’n maatje, en ik wonnen eigenlijk altijd, maar goed, dat terzijde. We lagen dus flink voorop, stoot Rinus z’n kop tegen een ons tegemoetkomende sloep. Hij gaat koppie onder en verslikt zich in een flinke sloot stookolie. De tranen sprongen hem in z’n ogen en ik wou hem niet achterlaten. ‘Kom op, Rinus’, riep ik hem toe en ik zwom een paar meter terug. We sloegen een arm om elkaars schouder en zo hebben we de laatste paar honderd meter gezwommen.

Eenmaal bij het trapje naar de kade had Rinus al weer volop praatjes. We klauterden aan land en zwaaiden naar de achtervolgers die halverwege waren. Rinus haalde wat tabak uit een met reuzel waterdicht gemaakt zakje en draaide twee peuken. Die staken we achter ons oor, want we moesten nog klunen. Ken je je eigen voorstellen? Op onze blote poten renden we zeker een kilometer over de Hilledijk.

Allicht dat ik deze keer won. Rinus had net een slok diesel achter z’n kiezen… Hijgend staken we onze saffies op. Rinus nam een grote haal en liep rood aan. Met ogen zo groot als schoteltjes blies hij krachtig uit. Hij leek wel een vlammenwerper! Helaas kwam er net een auto van de kit uit de Afrikaanderwijk en die vloog meteen in fik. We hebben er nog twee jaar voor motten brommen op de Noordsingel. Toen we vrij kwamen was het Rondje Katendrecht verboden.

 

Het verhaal is ook gepubliceerd op de site van De Nacht van Kaap.

Written by thehotstepper

september 8, 2011 at 6:32 pm

Theo wint verhalenwedstrijd Nacht van de Kaap

leave a comment »

De Nacht van de Kaap  is al jaren één van de leukste festivals in Rotterdam. Dit jaar was het thema ‘sterke verhalen’ en werd behalve Kun jij de Kaap aan?, ook gevraagd om sterke verhalen. Op de site van NvdK stond de volgende oproep:

‘Het roemruchte verleden maakt de Kaap een onuitputtelijke inspiratiebron voor Sterke Verhalen. Herkenbare verhalen, legendes of eigenlijk te mooi om waar te zijn-avonturen. In Rotterdam gaan de verhalen van mond tot mond. Zo ook tijdens de Nacht van de Kaap waar de beste sterke verhalen over de Kaap worden voorgedragen. Om de beste sterke verhalen te vinden, roepen we de hulp van de bezoekers in. Iets meegemaakt, gehoord of heb je gewoon een fantastische fantasie? Deel dan jouw sterke verhaal met ons.’

Uiteraard heb ik graag gehoor gegeven aan deze oproep en gisteren kreeg ik bericht over mijn  inzending:

Goed nieuws: jouw sterke verhaal is het winnende verhaal van de Sterke Verhalen wedstrijd van de Kaap! Er is unaniem besloten dat het verhaal over het Rondje Katendrecht het beste ingezonden verhaal is.’

Vanzelfsprekend liep ik warm van deze verheugende mededeling.  Mijn verhaal is unaniem verkozen als beste inzending… Ik ben benieuwd hoeveel mensen het verhaal hebben gehoord tijdens de Nacht? Wat vonden ze ervan? Voor hen die het (net als ik overigens) tijdens de NvdK hebben gemist, zal ik het binnenkort hier op mijn blog publiceren.

Written by thehotstepper

september 7, 2011 at 10:00 am