Hier loop ik warm van

The Hotstepper goes Dutch

Zaterdag, herfst 2013

leave a comment »

Het was zaterdagmiddag en de zon was over haar hoogste punt. Tegen alle verwachtingen in was het een stralende herfstdag geworden. ’s Ochtends begon de dag fris, maar van guurheid was geen sprake. De dunne wolkjes staken flets af tegen een sleets blauwe lucht. Herfstbladeren in de boomkruinen gaven kleur aan de stad die dat dankbaar en zonder veel commentaar in ontvangst leek te nemen. Een briesje maakte dat het vrolijke loof samenzweerderig fluisterend de belofte van een mooie dag prijsgaf.  Ik had geen spijt dat ik vroeg was opgestaan en terwijl ik ’s middags naar mijn afspraak met mijn kapster wandelde, besefte ik dat de belofte van het bonte lommer was uitgekomen.

Herfst wordt ook wel een tussenseizoen genoemd. Het is waarschijnlijk daarom dat ik me er zo goed bij voel. Het brengt de extremen van de zomer en winter op sommige dagen in balans. Op een dag als vandaag bijvoorbeeld, balt ze energie en rust samen in tot een schier onuitputtelijke bron van inspiratie. Zo voelt het voor mij althans. Ik heb zin om te schrijven. Mogelijke onderwerpen dringen zich op terwijl ik met lange, trage passen voort banjer.

Bij de Oude Haven komen twee Politievrijwilligers mij tegemoet. Ze dragen spijkerbroeken, met daarop een donkerblauwe sweater en een donkerblauwe jas. Vandaar dat ik weet, dat zij van de politie willen zijn. In witte letters staat het op hun kleding. Vrijwillige politie. Een van de mannen heeft zelfs aan een koordje een CSI-achtig gouden schildje op zijn borst hangen. Beide zijn eind zestig, mogelijk begin zeventig. Hun ogen ontmoetten de mijne, maar we groetten niet. Ik was te zeer in beslag genomen door hun indrukwekkende rimpels en vergeet eenvoudigweg een beleefdheidsuiting. Hun reden ken ik niet. Dit geldt zowel hun reden om niet te groeten als waarom zij als vrijwilliger bij de politie aan de slag zijn. Terwijl ik mij bevrijdde uit de rook van de shagjes die zij rookten, dacht ik: voer voor een column. Inmiddels is er echter meer voorgevallen op deze mooie herfstdag, dus het zal een andere keer moeten zijn dat ik over deze bejaarde vrijwillige politieagenten schrijf.

Even later zat ik aan de leestafel bij de kapper een krant te lezen, toen er een vrouw binnenkwam. Een van mijn tafelgenoten keek op en begroette haar: ‘Kon je het vinden?’ Die begroeting verbaasde mij. Paulien Cornelisse zouden daar een column over kunnen schrijven of een hoofdstuk in een boek. Ik beperk mij liever tot de constatering dat ik het vreemd vind.

Voor ik het wist mocht ik naar de wasbak om mijn haar te laten wassen. Ook dat verbaasde mij, want het was druk in de kapsalon. Alle stoelen en alle kapsters waren bezet. Aan de andere kant vond ik het passen bij vandaag. In de herfst is niets wat het lijkt en dat klopte dus wel. Even later werd ik van de wasbakken gepromoveerd naar een knipstoel en staarde in de spiegel. ‘Puntjes?’ Ik knikte en niet veel later stond ik bij het pinapparaat.
‘Weet jij of die ouwe van hiernaast thuis is?’, vroeg een man met een glazenwassersgordel die ook bij de kassa was aangeschoven  aan mijn kapster. ‘Ik hoop niet dat hij dood is. Doof was hij al, dus misschien hoort hij de bel niet.’ Ze schudde haar hoofd en haalde haar schouders op. ‘Het scheelt maar een letter’, zei ik. Voer voor een column, dacht ik en ik moest aan de vrijwillige politieagenten denken. Die hadden mooi op onderzoek kunnen gaan, vond ik. Echt in hun straatje.

Eenmaal buiten zijn we beland bij de eerst regels van dit verhaal. Het was dus zaterdagmiddag en de zon was over haar hoogste punt. Ik voelde een enorme behoefte aan een blocnote en een bokbier om onder het genot van de laatste te schrijven wat ik tot nu toe meegemaakt. Zon en bries waren nog steeds in evenwicht. Het was warm noch koud en zeer aangenaam, dus ik kloste bedaard naar de Hema op de Hoogstraat, waar ik voor zestig cent een kladblok kocht. Klad-blok. Het stond er echt, in zwarte letters op de witte voorkant. Gelukkig is de Hema tegenwoordig internationaal, dus het stond er ook in het Frans: Bloc de Brouillon. Het deed me, zonder mij met hem te willen vergelijken, denken aan Martin Bril. Die had dat vast een mooi woord gevonden. Ook hij zou zijn gedachten vast liever aan een Bloc de Brouillon toevertrouwen dan aan een kladblok.

Brouillon. Het lijkt een samenvoeging van bouillon, dat hoewel vooral uit water bestaat, toch geurig en rijk van smaak is en broeien. Ik voelde gedachten en ideeën sluimeren in de kluwen van kalmte en energie die zich in mij samenbalde. Opgewekt wandelde ik langs een draaiorgel. Het anachronistische monster kon mijn gemoedsrust – en meestal is dat wel anders – niet verstoren. Met het blocnote in mijn handen liep ik zelfbewust naar een terras. Daar gaat een schrijver, zouden de mensen denken. Ik had een baardje als Giphart, het haar van Brusselmans en gewapend met een Bloc de Brouillon liep ik met Tommy Wieringariaans lange passen weloverwogen door de straten van de stad.

Op de hoek van de Schiedamse Vest en de Schilderstraat installeerde ik mij bij Proeflokaal Reijngoud aan een tafeltje in de zon en bestelde een bokbier. Nauwelijks zat ik te schrijven of Wilfried de Jong kwam aanlopen. Collega!, dacht ik stoutmoedig, maar ik sprak hem niet aan en groette hem slechts met mijn ogen. Mezelf voorhoudend dat wij een blik van verstandhouding uitwisselden, keek ik de schrijver na. Een paar bladzijden en een bokbier verder liep Martin van Waardenberg voorbij. Helaas bleek De jong inmiddels verdwenen, anders had ik mij in de nabijheid geweten van een illuster duo. Het sterkte mij wel in mijn idee, dat ik moest schrijven. Dat je in Rotterdam bekenden tegenkomt, dat is onvermijdelijk. Bekende Nederlanders, Rotterdammers voorop, is geen uitzondering, maar Waardenberg en De Jong binnen twintig minuten is zo toevallig, dat moest een voorteken zijn. En dus schreef ik.

Al schrijvende werd mij een pen aangeboden. ‘Wanna buy an artist pen?’, vroeg een bebaard heerschap, terwijl hij mij een grijze, op het oog nogal saaie pen liet zien. Hij had wat weg van Che Guevara, maar de pen zag er nauwelijks revolutionair uit. ‘No thanks, I don’t need one’, antwoordde ik. Even later was mijn pen leeg en leende ik aan de bar een eenvoudige Bic van de serveerster. ‘En die man wou je een pen verkopen. Wat een toeval!’ Ik knikte en glimlachte. Vandaag was de moeite om over te schrijven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: